CYANAMID ENG GEZONDHEID
VOORSTEL TOT ONDERZOEK.
We waren er niet gerust op en eisten in het arbeidsvoorwaardenbeleid in de chemie en olie-industrie in het Rijnmondgebied in 1979 (opnieuw) een betere bescherming van werknemers bij het werken met chemische stoffen. Een jaar eerder hadden de chemiewerkgevers zich fel verzet tegen een uitbreiding van de bestaande veiligheidstekst in de CAO’s. De werkgevers wilden niet verder gaan dan, ‘maatregelen om aanraking en inademing van giftige stoffen te beperken’. Het leek alsof je er wel ‘een beetje aan dood mocht gaan’. Onze verwachting was dat hun standpunt in 1979 niet veranderd zou zijn. Om resultaat te bereiken hadden we een breed draagvlak onder de werknemers nodig. De reactie van de leden in de ledenvergaderingen was lauw. Ook bij Cyanamid in Rozenburg reageerden de leden nauwelijks. Toch hadden ze eerder geklaagd over de arbeidsomstandigheden. Het
Het was ons duidelijk dat het bij Cyanamid niet bij het aanscherpen van een veiligheidstekst kon blijven. We stelden de directie van Cyanamid voor om samen met de arbeidsinspectie Rotterdam en de Industriebond FNV, een: ‘breed en onafhankelijk onderzoek in te stellen; naar de aard van de stoffen, naar de effecten op de gezondheid van de werknemers en hoe en welke maatregelen er direct en op langere termijn getroffen konden worden om aanraking met voor de gezondheid gevaarlijke stoffen te voorkomen’. De directie wees ons voorstel af.
OPVATTINGEN VAN ARTSEN
We besloten met de verantwoordelijke artsen te gaan praten. Op 29 november 1979, sprak ik met Van der Hoeden, o.a. bedrijfsarts van Cyanamid, over wat we wilden. Het gesprek leverde niets op. De Arbeidsinspectie bleek evenmin gecharmeerd van een gezamenlijk onderzoek. Op 29 januari 1980 sprak ik met dokter Vogelenzang, hoofdgeneeskundige bij het Directoraat-generaal van de Arbeid, die als geneeskundige van de arbeidsinspectie in Zuid-Holland een honderdtal chemische bedrijven onder zijn hoede had, en met het hoofd van de arbeidsinspectie in Rotterdam drs. F.J. Janssen, over de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid. Geïrriteerd zei dokter Vogelenzang, dat er ‘bij Cyanamid niets aan de hand was’ en wees een gezamenlijk onderzoek af. Zelfs Janssen schudde over zoveel onbegrip het hoofd. In maart 1980 schreef Vogelenzang aan bedrijfsarts J.A. van der Hoeden, dat 'herhaaldelijke bedrijfsinspecties geen enkele grond opleverden om in te gaan op een onderzoek, dat de Industriebond FNV vraagt'. De verantwoordelijke artsen vreesden een onpartijdig onderzoek.
KLACHTEN.
Toch waren er bij Cyanamid genoeg klachten om een onderzoek te rechtvaardigen. In 1974 had de Industriebond NVV aan de directie van Cyanamid,en aan de arbeidsinspectie, vragen gesteld over twee vermoedelijke gevallen van leukemie in de AMD-fabriek en over een klacht over aantasting van het centrale zenuwstelsel. In 1977 waren er klachten over schadelijke gevolgen bij het verwerking van DMS. In januari 1978 werden, na een DMS-ontsnapping, zeven operators voor observatie naar de BGD gebracht. In de CSP-plant kwam een werknemer in 1979 in aanraking met zwaveldichloride. Uit een rapport van de bedrijfsarts bleek, dat in augustus 1979 zeven werknemers een AMD-intoxicatie (vergiftiging) opliepen, tien werknemers hadden 'naar alle waarschijnlijkheid' een DMS-intoxicatie, en zeven werknemers last van een so2-intoxicatie. In februari 1979 klaagden de werknemers, bij het lossen van 'centrifugelading' bij het UV-1084 proces, over stofoverlast bij het vullen en aftappen van tuimeldrogers en over een te hoge ACN-dosering.
Gerrit Voordenhout, voorzitter van de blg (bedrijfsledengroep) van de Industriebond FNV, klaagde bij zijn huisarts over hoofdpijn, verkoudheid, spierpijn, kramp, en ontstoken ogen. Meer werknemers hadden last van die symptomen. De diagnose van de huisarts was overspannenheid en te veel roken. Hij sloot echter niet uit dat de symptomen door chemische stoffen konden worden veroorzaakt. Twee dagen later wilde de arts daar niet meer over praten. Gerrit Voordenhout vermoedde dat er contact met de bedrijfsarts was geweest. Op 27 februari 1979 klaagde Voordenhout bij de arbeidsinspectie over stof. Van Hummelen, inspecteur bij de arbeidsinspectie in Rotterdam, nam poolshoogte, maar volgens hem 'zag de plant er goed uit'. Toch werd de klacht van Voordenhout aan Vogelenzang, de geneeskundig inspecteur van de arbeidsinspectie in Rotterdam, doorgegeven.
ONDERZOEK INDUSTRIEBOND FNV.
We lieten het niet bij het afwijzing van een gezamenlijk onderzoek zitten en begon een eigen onderzoek naar de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid. We zochten contact met de 'Bond van Wetenschappelijke Onderzoekers' en met wetenschappelijke groepen bij universiteiten. Kaderleden van de Industriebond bij Cyanamid legden contact met de Chemiewinkel in Leiden, een organisatie van studenten en afgestudeerde scheikundigen van de Rijksuniversiteit Leiden, die eerder bij een onderzoek van de Industriebond FNV waren betrokken. Zij waren bereid om samen met de Industriebond een onderzoek naar de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid in te stellen. De bond vroeg de directie toestemming om het onderzoek op het bedrijf te houden. De directie weigerde. De tegenwerkingen van de directie, van dokter Vogelenzang en van bedrijfsarts Van der Hoeden, belette ons niet om in januari 1980 met het onderzoek te beginnen.
De medewerking van de werknemers was groot. Van de 300 personeelsleden deden er 147 aan het onderzoek mee. Ze vulden vragenlijsten in over fysieke klachten en over de stoffen waarmee werd gewerkt. Om de druk op de directie te verhogen wilden we snel met een onderzoeksresultaat komen. Met de brochure `Veilig Werk in de Chemie', geschreven door Jeroen Terlingen, bracht de Industriebond FNV in april 1981 de uitkomsten van het onderzoek naar buiten. Uit ons onderzoek bleek dat de oorzaak van de klachten aan de blootstelling aan een groot aantal chemicaliën was te wijten. Concreet werd in het rapport aangegeven welke maatregelen getroffen dienden te worden om
Het onderzoek benauwde Cyanamid. Volgens bedrijfsdirecteur, ir. W. Bouman, zou ons onderzoek 'door zijn kleinschaligheid en uiterst beperkte opzet tot onjuiste uitkomsten leiden'. Het was een drogreden; hij had zelf een groter en gezamenlijk onderzoek afgewezen. De uitkomsten van ons onderzoek dwong de directie om snel met een eigen onderzoek te beginnen. Ze gaf aan het Bureau Humanisering van de Arbeid van TNO opdracht om 'heel nadrukkelijk aandacht te besteden aan de arbeidssituatie'. Ir. C.K. Pasmooij, van Bureau Humanisering van Arbeid TNO, werd met het onderzoek belast. Hij betrok bij zijn onderzoek het Fysisch Chemisch Instituut TNO, het Nederlands Instituut voor Preventieve Gezondheidszorg TNO, de Hoofdgroep Maatschappelijke Technologie TNO, en o.a. P.J.M. Felix van de Nederlandse Organisatie Kring (NOK).
Door ons onderzoeksrapport kreeg Cyanamid haast om het onderzoek van TNO zo snel mogelijk af te ronden. Ze hoopte dat het tot een mildere conclusie zou leiden. De uitkomst viel de directie zwaar tegen. Het Vrije Volk schreef over het onderzoek onder de kop, 'TNO-onderzoek bevestigd vakbondsrapport, Cyanamid maakt veel mensen ziek'. De conclusie van het TNO-onderzoek was o.a.: 'De werknemers worden onnodig veel blootgesteld aan de vele giftige stoffen. De bedrijfsleiding zit te veel onder de plak van het Amerikaanse moederbedrijf. Voor uitgaven die de 10.000 dollar te boven gaan is vaak toestemming van het Amerikaanse moederbedrijf nodig. Door het personeel gewenste verbeteringen worden uit financiële redenen verworpen' en 'Cyanamid dient te streven naar een betere verstandhouding met de vakbond'.
De conclusies van beide rapporten waren voor geneeskundige Vogelenzang van de arbeidsinspectie en voor Van der Hoede, bedrijfsarts bij Cyanamid, vernietigend. Met de directie waren zij verantwoordelijk voor het falende veiligheid- en gezondheidsbeleid. Hun bewering dat er bij Cyanamid niets aan de hand was werd door de rapporten ontkracht. In 162 grote en kleine gevallen bleek er veel aan te mankeren.
De aanbevelingen van het TNO-rapport maakten de houding van de directie tegenover de Industriebond niet soepeler. Ze probeerde de Industriebond zoveel mogelijk buiten te sluiten. De directie lichtte ons over het TNO-rapport pas in november/december officieel in. Maar de bezwarende conclusies van de twee onderzoeken kon de directie moeilijk naast zich neer leggen. De directie kwam op 18 december 1981 met een uitgebreid plan om de 162 knelpunten actief aan te pakken en de arbeidsomstandigheden te verbeteren. In vervolgbesprekingen met de Industriebond werd het plan verder aangepast. Het toezicht op de uitvoering lag bij de OR.
ONGENOEGEN
Bij Cyanamid wilde ik de werknemers in de kantine toespreken. Veiligheidsinspecteur Van Bedaf van Cyanamid versperde de weg. Een verslaggever van Het Vrije Volk schreef: 'Over mijn body, zei een forse veiligheidsbeambte tegen de kleinste vakbondsbestuurder van ons land'. Er stonden handlangers van Van Bedaf met een brandslang gereed. Maar de werknemers besloten zelf naar de poort te komen. De demonstratie bij Cyanamid werd een succes. Het bleef niet bij een demonstratie. Het ongenoegen was, na de weigering om in te stemmen met een gezamenlijk onderzoek en de tegenwerking bij de kantineactie, zo groot dat de leden op 4 maart 1980 besloten voor 24 uur in staking te gaan.
De directie intimideerde de leden van het actiecomité, waarvan ze vermoedde dat zij tevens bij het onderzoek waren betrokken. Naast de Industriebond FNV, werden Gerrit Voordenhout, Martin Behrens, Rob Huisman, Jaap Kiela en Kees de Haan persoonlijk aansprakelijk gesteld voor 'alle schaden en kosten'. We maakten onmiddellijk bezwaar. De directie trok de aansprakelijkheid in: we moesten het maar 'als een formele berisping’ beschouwen.
ROTTERDAMSE HUISARTS
Er was veel tegenstand van de verantwoordelijke artsen, maar we kregen hulp van een Rotterdamse huisarts. Artsen waren in het algemeen huiverig om zich uit te spreken over de effecten van het werken met chemische stoffen. Ook zij wisten weinig af van chemische stoffen en hun effecten. Van de bedrijfsarts bij Cyanamid, Van der Hoeden, de geneeskundige van de arbeidsinspectie, Vogelenzang, noch van huisartsen kregen de werknemers bij Cyanamid antwoord op vragen of hun klachten veroorzaakt konden zijn door het werken met chemische stoffen. Ze werden met ‘een kluitje’ in het riet gestuurd.
De leden namen er geen genoegen mee. Kaderleden van de Industriebond FNV kwamen in het sportcentrum in Rozenburg in gesprek met de Rotterdamse huisarts D.G. de Jong. Ze verweten in het algemeen dat huisartsen de gezondheidsklachten van werknemers niet serieus namen. De Jong verdedigde zich: hij was bereid om werknemers bij Cyanamid serieus te onderzoeken. De Jong ging na of hun ziektesymptomen veroorzaakt konden zijn door stoffen waarmee zij werkten. Op 22 januari 1980 zond hij een rapport aan de Industriebond FNV in Rotterdam, die het 'naar eigen goeddunken kon gebruiken'. Hij vond 'een aantal feiten en vermoedens die leiden tot bezorgdheid over de gezondheid bij het werken met chemische stoffen'. Hij constateerde o.a. aantasting van het centraal zenuwstelsel, verstoring van het evenwichtsgevoel, irritatie aan slijmvliezen, longafwijkingen en huidaandoeningen, 'die mogelijk verband houden met aanraking van stoffen die bij Cyanamid in de productie worden gebruikt'. Het rapport had betrekking op een klein aantal werknemers en de wetenschappelijke waarde was misschien discutabel, maar voor ons was het rapport van groot belang. Het gaf een medische onderbouwing aan onze eis: een onderzoek naar de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid.
We zonden de conclusies van het rapport van De Jong aan de directie van Cyanamid en aan het hoofd van de arbeidsinspectie in Rotterdam, drs. F.J. Janssen, zonder de naam van de huisarts te noemen. De verantwoordelijke artsen voelden zich bedreigd en reageerden als gebeten. De directie vond het rapport uitermate ernstig, maar zag er geen reden in om alsnog met een gezamenlijk onderzoek akkoord te gaan. De arbeidsinspectie schreef op 20 februari 1980, 'dat dezerzijds een intensief en uitvoerig onderzoek naar deze aangelegenheid wordt ingesteld'. Om de directie en de arbeidsinspectie onder druk te zetten zond ik de conclusies van het rapport, zonder de naam van de huisarts te noemen, aan Het Vrije Volk. Het Vrije Volk schreef, onder de kop 'Bedrijf doet niet mee aan onderzoek', er een artikel over.
ARTSEN ‘CONTRA’ BEROEPSGEHEIM
Voor de woedende Vogelenzang en Van der Hoeden, met hun contacten in medische kringen, was het niet moeilijk achter de naam van de huisarts te komen. Huisarts Dick de Jong werd onder druk gezet om de namen van de onderzochte werknemers te noemen. Met een beroep op zijn beroepsgeheim weigerde De Jong dat. Hij schreef Vogelenzang een keurige brief over de motieven waarom hij de anonimiteit van de werknemers garandeerde.
Van der Hoeden vond dat het rapport en het onderzoek van de Industriebond, zijn ‘eer en goede naam aantast'. Hij wilde 'stappen tot zuiveren van zijn eigen persoon'. Toch bleek er wrijving tussen Van der Hoeden en Vogelenzang. In een interview van Jeroen Terlingen in Vrij Nederland, van 29 mei 1982, zei Van der Hoeden: 'Als je het spel niet volgens zijn (Vogelenzang’s) spelregels speelt is het een onmogelijk stuk vreten'.
HET MEDISCH TUCHTCOLLEGE.
Op 14 april 1982 daagde de Geneeskundig Inspecteur van Zuid-Holland, L.C. Buysert, Dick de Jong voor het Medisch Tuchtcollege. Hij werd beschuldigd dat hij 'een onderzoek had gedaan onder een aantal werknemers die niet zijn patiënten waren, een rapport aan de Industriebond FNV in Rotterdam had gezonden waarin hij het vermoeden uitsprak dat de medische klachten veroorzaakt konden worden door de giftige stoffen waarmee zij werkten, en 'het vertrouwen in de stand der geneeskunde had ondermijnd'. Tevens werd hem verweten, dat hij weigerde de namen van de onderzochte werknemers aan de arbeidsinspectie en de bedrijfsarts te verstrekken, verzuimd had om de arbeidsinspectie in Rotterdam en de bedrijfsarts bij Cyanamid in te lichten en geen rectificatie aan de redactie van Het Vrije Volk had gevraagd voor een bericht naar aanleiding van opmerkingen van de Industriebond FNV over de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid.
De directie van Cyanamid had liever geen proces. Hoewel ze verwachtte dat de zitting van het tuchtcollege in beslotenheid zou plaatsvinden, doktoren tegen wie een klacht wordt ingediend hebben meestal geen belang bij openbaarheid, vreesde de directie publiciteit. En dat kwam er. Dokter de Jong vroeg om een openbare behandeling en dat trok publiciteit.
Op 19 mei 1982 deed het Tuchtcollege uitspraak: 'Patiënten hebben recht op het oordeel van een arts in wie zij vertrouwen stellen, ook al is de arts niet hun huisarts en niet de bedrijfsarts van de patiënten'. De Jong werd het geheimhouden van de namen van de onderzochte werknemers niet verweten, 'omdat de patiënten daar nadrukkelijk om verzocht hadden'. Ongepast gebruik van het rapport door derden (de Industriebond FNV) kon de huisarts niet worden aangewreven. (We hadden het ook ‘gepast’ gebruikt).
In het NRC/Handelsblad van 21 mei noemde L. de Boer, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Arbeids- en Bedrijfsartsen, de uitspraak 'niet in het belang van de gezondheid van werknemers' en Prof. dr. H.J. van Aalderen van de Vrije Universiteit van Amsterdam, vond het verontrustend dat het opkomen voor bezorgde werknemers tot een proces had geleid.
De negatieve perscommentaren belette de Inspectie van de Gezondheid niet om in hoger beroep te gaan. Het geding diende op 16 juni 1983 voor het Centraal Medisch Tuchtcollege in Den Haag. Op slechts één onderdeel paste het Centraal Tuchtcollege de eerdere uitspraak aan: het college viel over de kwaliteit van het rapport van De Jong. De Jong werd 'berispt' omdat 'alleen deskundigen konden inzien dat zijn rapport bedoeld was om nader te onderzoeken of er verband bestaat tussen de gezondheid van de werknemers bij Cyanamid en de chemische stoffen waarmee ze werken'.
RESULTAAT
Onze eis tot onderzoek had tot resultaat dat twee onderzoeken werden gedaan naar de effecten van het werken met giftige stoffen in de petro-cbemische industrie. Bij Cyanamid werden maatregelen getroffen om aanraking met giftige stoffen te voorkomen. Het had ons moeite gekost om de directie, de bedrijfsgeneeskundige dienst en de arbeidsinspectie, tot in de hoogste regionen, in beweging te krijgen. Met ons onderzoek en het onderzoek van TNO werd de directie gedwongen om in een planmatige aanpak de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid te verbeteren. Het resultaat werkte door naar het veiligheidsbeleid bij vele chemiebedrijven.
Piet Scheele.
4>
Of ga naar:
De Industriebond NVV had zorgen over het werken met giftige stoffen in de chemische industrie. Daar waren individuele klachten van werknemers en artikelen in de pers de oorzaak van. Rob Symons schreef op 9 november 1974 in Vrij Nederland onder de kop: 'Shell-arbeiders als onvrijwillige proefkonijnen', dat, 'uit proeven met de pesticiden Dieldrin en Aldrin op muizen blijkt dat ze leverkanker veroorzaken'. Bij o.a. Shell-Pernis werd met die stoffen gewerkt. We vroegen Shell om commentaar. Volgens Shell waren er 'ondanks de soms zeer grote in het lichaam opgenomen hoeveelheden nooit tekenen van leverkwalen bij de werknemers in de pesticidenfabriek in Pernis ontdekt'. Maar in Amerika werd de productie van Dieldrin en Aldrin verboden. De Daniël den Hoed kliniek in Rotterdam had bij Shell-Pernis onderzoek gedaan ‘naar de mogelijk kankerverwekkende gevolgen van het werken met PBNA’ (een antioxidant). We vroegen aan de Shell-directie om de resultaten van dat onderzoek. Drs. E. Meinsma, directeur Shell-chemie in Pernis, antwoordde op 16 januari 1979, dat inmiddels PBNA door een andere antioxidant was vervangen. Bovendien ‘had Shell regelmatig onderzoek gedaan naar symptomen van blaaskanker bij het werken met PBNA’ . Volgens Meinsma waren er geen aanwijzingen gevonden dat het schadelijke gevolgen had.
ziekteverzuim lag er hoger dan gemiddeld in de chemie. Verwonderd vroegen we of er geen klachten waren. Wat gegeneerd lachend rolde één van de leden zijn hemdsmouwen en broekspijpen op, gevolgd door anderen. Hun armen en benen zaten onder de rode vlekken. We schrokken.
Cyanamid produceerde een groot aantal chemische specialiteiten met een grote verscheidenheid aan chemische grondstoffen. Het effect van die stoffen op de gezondheid van werknemers was onvoldoende bekend. Kaderleden van de bond vertrouwden het werken met de stof formaldehyde niet. Uit vaten werd de formaldehyde via een open mangat in een reactievat gestort. Daar zaten stoffen in als dhimethylamine (IMA) en acrill-amide (AMD). Bij de toevoeging van zwavelzuur kwamen kwalijke dampen vrij. De werknemers vermoedden dat er dichloordimethyleter, een giftig gas, werd gevormd. Na veel klachten werd in januari 1979 het vullen via een open mangat door een gesloten systeem vervangen en werd het afzuigsysteem verbeterd. De kaderleden vertrouwden ook andere stoffen niet, zoals styreen, benzeen, al dan niet in onderlinge combinatie. Cyanamid werkte met de stof acrilnitril (ANC). Uit een epidemiologisch onderzoek onder werknemers van het Amerikaanse chemische concern Du Pont, bleek dat bij werken met acrilnitril een verhoogde kans op kankervorming bestond. Bij Cyanamid werd voor de productie van o.m. UV-1084 en Superfloc stoffen gebruikt die kankerverwekkende eigenschappen hebben, zoals nikkelsulfaat, tolueen, phenol en dimethylamide. Door de werknemers werd het de ‘groene hel’ genoemd naar het rondvliegende stof. Om de hals droegen werknemers 'snuffeldozen' waarmee luchtmonsters werden genomen. Zo’n ‘snuffeldoos‘ hingen ze in een reactievat, maar de meting van de ‘snuffeldoos’ leverde geen verschil op.
Dokter Vogelenzang viel op 23 maart 1979 onaangekondigd het huis van de zieke Voordenhout binnen. Hij zei dat hij bij Cyanamid geen ‘prikkelende dampen, stof of stank geconstateerd had’. Smalend voegde hij er aan toe dat hij ‘een gezond persoon aantrof die teveel rookt, waar je ook uitgedroogde slijmvliezen van kan krijgen'. Voordenhout was woedend. Onder werknemers was het vertrouwen in de arbeidsinspectie niet groot. Werknemers verweten de arbeidsinspectie dat ze op hun klachten nooit onaangekondigd het bedrijf binnen kwamen vallen. Als ze kwamen 'gingen ze eerst met de baas in het kantoortje praten'.
blootstelling aan schadelijke chemische stoffen te voorkomen.
Gelijktijdig met het conflict bij Cyanamid voerde de Industriebond FNV in 1980 een landelijke actie tegen de loonmaatregel van de regering, die de aanvulling op de ziektewet in de reeds afgesloten CAO’s ongedaan maakte. In de chemische industrie beperkte de actie zich tot poort- en kantineacties waarbij de werknemers in de kantine werden toegesproken.
De verongelijkte Vogelenzang liet het er niet bij. In een gesprek in Den Haag tussen o.a., huisarts De Jong, de geneeskundig inspecteur van Zuid-Holland, Buysert en dokter Vogelenzang, werd hem tot 10 april de tijd gegeven de namen van de onderzochte werknemers te noemen. Bij een weigering werd de kwestie voor het Medisch Tuchtcollege gebracht. Buysert probeerde de affaire terug te brengen tot 'een domheid van een jonge onervaren collega’ en Vogelenzang legde de schuld bij de Industriebond en de 'onterecht klagende werknemers’. Hij vond Cyanamid het veiligste bedrijf in de Rijnmond.
Tijdens de zitting vroeg Mr. Pronk, president van het tuchtcollege, aan Vogelenzang of hij het onthullende en belastende rapport, dat TNO over het ziekteverzuim en de arbeidsomstandigheden bij Cyanamid had uitgebracht, kende. Vogelenzang gaf uiterst geprikkeld toe dat te kennen, maar zei hij: 'Dat doet hier niet ter zake, niet Cyanamid staat hier terecht maar een huisarts'. Het veroorzaakte hilariteit in de zaal. Vogelenzang veroorzaakt opnieuw hilariteit door op de vraag van de advocaat van De Jong of hij de stellingen van het TNO-rapport onderschreef pinnig en met afgrijzen te antwoordden die 'niet te onderschrijven'. e-mailadres: pscheele@chello.nl
Fusie
Oliecrisis
Brand bij Shell
Staking bij ICI
Staking bij Shell
5-ploegendienst
Aardgaswinsten
Johan Stekelenburg
Link