terug naar menu.

De Oliecrisis van 1973/1974

Olieboycot

Donkere wolken boven de Rijnmond? Op 6 oktober 1973 vielen Egyptische en Syrische troepen IsraŽl binnen (Yom Kippur-oorlog). Aanvankelijk met succes, maar op 15 oktober keerden de kansen. De Arabische landen hadden nog een wapen waarmee ze IsraŽl en de halve wereld onder druk konden zetten: beperking van de verkoop van ruwe aardolie (crude). Een groot deel van de wereld was afhankelijk van de invoer van Arabische olie. Ook de Verenigde Staten was sinds 1970, door een sterk stijgende binnenlandse vraag, meer op de internationale oliemarkt aangewezen. Voor de inval in IsraŽl, in begin 1973, eisten de olieproducerende landen (OPEC) in een jaarlijkse vergadering met de oliemaatschappijen een verdubbeling van de olieprijs. De oliemaatschappijen, die de olie afnamen, vonden dat te hoog. Er kwam geen overeenstemming. Maar dat de prijzen sterk zouden stijgen stond voor de oliemaatschappijen vůůr de inval al vast.

OPEC-conferentie Wenen 16-17 maart 1973 Na de inval in IsraŽl besloot op 18 oktober 1973 de OAPEC (de vereniging van alleen Arabische olieproducerende op en -exporterende landen), om zonder overleg met de oliemaatschappijen eenzijdig de olieprijs met 70% te verhogen. Bovendien werd besloten om de productie van ruwe olie met telkens 5% per maand te verminderen: 'Totdat IsraŽl zich uit alle bezette Arabische gebieden heeft teruggetrokken en de rechten van het Palestijnse volk in ere zijn hersteld'. 'Landen die de Arabische zaak steunen' kregen een speciale voorkeursbehandeling. President Nixon, van de Verenigde Staten, zei op 19 oktober 1973 aan IsraŽl omvangrijke militaire steun toe. Dat was voor LibiŽ, Abu Dhabi, gevolgd door Saoedi-ArabiŽ als de belangrijkste olieproducent in het Midden-Oosten, reden om twee dagen later alle olieleveranties aan de Verenigde Staten stop te zetten. De olieboycot was een feit. Ook Nederland werd door de boycot getroffen. Algerije besloot op 20 oktober 1973 tot een volledig stopzetting van de olietoevoer aan Nederland, gevolgd door Koeweit en nog 6 andere Arabische landen. Saoedi-ArabiŽ deed dat op 30 oktober. Voor het Botlek/Europoortgebied, waar vijf olieraffinaderijen waren gevestigd, leek de boycot een catastrofe: 54% van de Nederlandse olieaanvoer kwam uit Saoedi-ArabiŽ en Koeweit. Nederland raakte niet direct in paniek. Volgens de Nederlandse regering berustte de boycot tegen Nederland op een vergissing.

Op 4 november 1973 verminderde de OAPEC de olieproductie met nog eens 25% extra. Dat zou, volgens de Nederlandse regering, tot 80.000 werklozen leiden. Het Rotterdamse gemeentelijke Havenbedrijf zei, dat de boycot diep in zou grijpen in het havenverkeer. Het dagblad De Telegraaf voorspelde 65.000 werklozen in de bouw. De Bovag (de bond van garagehouders) verwachtte 18.000 werklozen in de autobranche en de Volkskrant had het over 55.000 werklozen. De vooruitzichten waren slecht. De oliemaatschappijen waren somber.

Minister-president Den Uyl drong sterk bij werkgevers en vakbonden aan om voor 1974 een centraal akkoord af te sluiten. De werkgevers- en werknemersorganisaties in de Stichting van de Arbeid (het overlegorgaan van werkgevers- en werknemersbonden) waren daartoe bereid. Op 5 november 1973 sloten zij een principeakkoord. De achterban van de werkgeversbonden draaide het principeakkoord echter de nek om. Zowel de leden van het VNO (Vereniging van Nederlandse Ondernemingen) als de NCW (Nederlandse Christelijke Werkgevers) wezen het principeakkoord af. De werkgevers leken uit de oliecrisis een slaatje te willen slaan. Dat was volgens de toenmalige voorzitter van het NVV, Wim Kok (de latere minister-president), kennelijk hun motief. Den Uyl wilde tijdens de crisis geen arbeidsonrust en kondigde de z.g. machtigingswet arbeidsvoorwaarden 1974 af waarin de lonen werden bevroren.

Zelf nam de regering een aantal bezuinigingsmaatregelen. Via een grote advertentiecampagne 'verwarming lager en gordijnen dicht' bewoog ze de burgers op energie te besparen en de benzine moest op de bon. Minister R.F.M. Lubbers van Economische Zaken dacht de campagne niet zelf te kunnen ontwikkelen. Het ministerie had te weinig kennis in huis. De oliemaatschappijen hadden die kennis wel. Op 9 oktober 1973 overlegde minister Lubbers met mensen van negen oliemaatschappijen, waaronder B. Davidzon van Shell, L.B.P. van Noordwijk van Chevron en A.J. Spoor van Esso. De oliemaatschappijen wilden wel meewerken, maar stelden twee harde voorwaarden: voorafgaande aan de advertentiecampagne moest minister Lubbers op de tv een toespraak houden; het mocht geen campagne van de oliemaatschappijen lijken. En de Gasunie en de elektriciteitsmaatschappijen moesten meewerken aan de bezuinigingen. Er mocht geen 'oneerlijke' concurrentie en geen marktverschuiving plaatsvinden tussen energiedragers als, olie, gas, kolen, enz. De regering ging akkoord. Het was een raar verbond: concurrenten, producenten van olieproducten, werkten nauw samen om hun klanten te vragen minder van hun producten af te nemen. Maar zo raar als het leek was het niet. Een daling van de vraag naar olieproducten verminderde ook de vraag naar ruwe aardolie. Dat zou een verlagend effect hebben op de prijs van ruwe aardolie en door de schaarste aan olieproducten, die de oliemaatschappijen produceerden, zouden die producten in prijs stijgen. Voor de oliemaatschappijen, als afnemer van ruwe olie en als leverancier van olieproducten, sneed het mes aan twee kanten.

olieveldBezuinigen op energie was voor de oliemaatschappijen geen nieuw idee. Vůůr de oliecrisis waren ze onder dreiging van een verdubbeling van de olieprijs zelf al met een bezuinigingscampagne begonnen. Ze wilden er de OPEC mee treffen en een gigantische stijging van de olieprijs voorkomen. Aan het bureau Mc.Cann-Erickson gaven ze opdracht voor het ontwikkelen van een bezuinigingsplan. Al begin 1973 werden aan de benzinepompen geen omzet bevorderende reclameacties meer gevoerd: de gratis geschenken waren verdwenen. Behalve bij Aral, die andere (Arabische) belangen had. De blauwdruk lag al klaar. Het kostte de oliemaatschappijen weinig moeite om minister Lubbers te overtuigen om juist het bureau Mc. Cann-Erickson in te schakelen. Het bureau Mc. Cann richtte de bezuinigingscampagne op de consument. De chefvoorlichter Francot, van bureau Mc. Cann, deed demonstratief op 25 oktober 1973 op de kamer van Lubbers het licht uit. Ook bij daglicht kon er gewerkt worden. Bij Lubbers ging er een lichtje branden. Hij stuurde zijn collega-ministers een missive om kritisch met kunstlicht om te gaan.

JUISTE CIJFERS.

Het verontrustte het team van de Industriebond NVV in Rotterdam dat de effecten van de oliecrisis vooral bij de werkgelegenheid werden gelegd. Dat gaf een neerwaartse druk op de lonen. Wij waren niet zo overtuigd van al die onheil voorspellende berichten over olietekorten en een daarmee samenhangende werkloosheid. We wilden weten wat er werkelijk aan de hand was. De kaderleden bij de olieraffinaderijen en de chemische industrie konden de olieaanvoer en de olieverwerking gemakkelijk volgen. Bij Shell-Europoort en bij andere oliemaatschappijen werd de aanvoer van ruwe olie op z.g. botenlijsten bijgehouden. Op planningslijsten werd vermeld, waar de ruwe olie vandaan kwam, hoeveel er binnenkwam, welke maatschappij het had aangekocht, tot welke producten de olie zou worden verwerkt of naar wie ze werd doorgevoerd. Ze kenden de cijfers van de werkelijke aanvoer, opslag, verwerking, doorvoer en afzet van ruwe olie en olieproducten en melden me wekelijks de cijfers. Zo hadden we een aardig totaal overzicht.

Bij Shell en bij de andere oliemaatschappijen waren de opslagtanks van ruwe olie vol. Ze hadden er immers al rekening mee gehouden, dat de prijs van ruwe aardolie exorbitant zou stijgen. Al voor de crisis werden de opslagtanks met zoveel mogelijk nog goedkope olie gevuld. In de maanden voor de sterke prijsstijging en de boycot was er een grote aanvoer van ruwe aardolie. De schaarste aan olieproducten, zoals benzine, werd door de oliemaatschappijen zelf veroorzaakt. Zij hielden er rekening mee, dat na de prijsstijging van aardolie, ook de prijs van olieproducten (hun afzetproduct) zou stijgen. Ze klaagden over lage prijzen voor olieproducten (benzine, nafta, ethyleen, enz.) en over de hoge vervoerskosten: stookolie voor tankers. Hun zorg betrof de winstmarge.

De werkelijkheid was anders dan de oliemaatschappijen aan de overheid lieten weten. Een vermindering van de aanvoer kon niet eerder dan eind november/begin december merkbaar zijn 5 Š 6 weken na het instellen van de boycot: de tijd die olietankers nodig hadden om na belading hun bestemming te bereiken. De kapiteins van de olietankers ontvingen hun bestemming soms pas in volle zee en die kon later nog gewijzigd worden. Voor de Arabische landen was het moeilijk om de bestemming van de schepen te controleren. Chevron Petroleum Maatschappij Nederland ving de stagnerende aanvoer uit Saoedi-ArabiŽ (80 % van hun aanvoer) en uit LibiŽ (10% van hun aanvoer) op door een grotere aanvoer uit andere landen. Voor andere oliemaatschappijen, die minder afhankelijk waren van Saoedi-ArabiŽ en Koeweit, zoals Shell, Esso, BP en Gulf, was het gemakkelijker om te switchen. Zij hadden meer raffinaderijen in Europa. In februari 1974 kwam er minder ruwe olie uit Saoedi-ArabiŽ en Koeweit, maar meer uit andere olielanden. Van een verminderde productie was nauwelijks sprake: ook niet in de chemische industrie. In de chemische industrie werd flink gehamsterd: de voorraadtanks zaten vol. De naftakrakers bij Shell-Moerdijk produceerden zoveel ethyleen dat bij gebrek aan opslagruimte de ethyleenproductie van 16,5 ton/h naar 14 ton/h moest worden teruggebracht.

SPREEKVERBOD

De Industriebond NVV in Rotterdam maakte geen geheim van haar kennis over de werkelijke cijfers van aanvoer, opslag en verwerking van ruwe olie en olieproducten. Ze probeerde ermee de druk op de inkomenspositie van de werknemers te verminderen. Ab Schravemade, districtshoofd, nam geen blad voor de mond. Naast de informatie van de kaderleden beschikte hij tevens over informatie van bestuurslid Oskam van de NOVOK (de vereniging van oliehandelaren). De pers, dag- en weekbladen radio en tv, namen de cijfers van de Industriebond gretig over. Ze verschilden van de officiŽle cijfers van de overheid en van de oliemaatschappijen en waren veel minder verontrustend. De overheid kreeg haar gegevens van oliemaatschappijen die belang hadden bij een somber beeld. Het verschil tussen die cijfers was voor veel mensen verwarrend en het wekte bij de mensen, die de oliemaatschappijen als 'redder in de nood zagen', irritatie.

Het kabinet Den UylOok het bondsbestuur van de Industriebond NVV waardeerde de vele publiciteit uit het district Rotterdam niet. Ze vond dat openbare uitspraken over een zo ingrijpende en belangrijke landelijke zaak tot de competentie van het bondsbestuur behoorde. Arie Groenevelt, voorzitter van de Industriebond NVV, was ontstemd over de publieke uitspraken van Schravemade. Zij werden door de uitspraken van Schravemade verrast. Het bondsbestuur verbood Ab Schravemade op 22 januari 1974 om verder met de pers te praten en dreigde: 'Als zich in de toekomst opnieuw gevallen zouden voordoen, was het bondsbestuur genoodzaakt scherpe maatregelen te treffen'. Kort daarna kreeg het hele Rotterdamse team een spreekverbod. Het bondsbestuur wilde voorkomen dat andere teamleden met de pers zouden praten: 'Ook Piet Scheele (districtbestuurder en onderhandelaar in de olie- en chemische industrie in Rotterdam) was in de publiciteit'. Het bondsbestuur vond dat ze onvoldoende op de hoogte werd gehouden en er geen rekening werd gehouden met politiek-strategische consequenties: 'De vakbeweging had er geen belang bij om de poten onder de stoel van het kabinet-Den Uyl weg te zagen'. Ze twijfelde niet aan de intentie van de berichtgeving en aan de juistheid van de cijfers, maar het bondsbestuur, dat door de kritiek uit regeringskringen, politieke partijen en vakbonden in een verdedigende rol werd geduwd, wilde invloed hebben op de uitspraken.

De regering Den Uyl was evenmin blij met het openbaar maken van de cijfers. Den Uyl, voorstander van een gezamenlijke energiepolitiek van de negen lidstaten in de EEG, werd door de olieboycot in Europa in een geÔsoleerde positie gedrongen. Als enige van de lidstaten werd Nederland door de Arabische landen geboycot. De andere lidstaten hadden slechts met een productiebeperking van 5% te maken. Dat verschil werd groter, toen de Arabische landen op 18 november 1973 aan Frankrijk en Engeland geen verdere reductie oplegden. Later werden ze zelfs tot 'bevoorrechte landen' verklaard waarvoor geen oliebeperking golden. Van een gezamenlijke Europese energiepolitiek kwam onder de oliecrisis weinig terecht. Nederland stond binnen de EEG alleen. Willie Brandt, de toenmalige bondskanselier van Duitsland, vond in een op 26 november 1973 in Parijs gehouden vergadering van de EEG, dat geen land aan zijn lot mocht worden overgelaten, maar alleen Nederland werd door de olieboycot getroffen. Den Uyl waarschuwde, dat een effectieve boycot van Nederland op korte termijn ook andere lidstaten gevoelig kon treffen. Rotterdam fungeerde als doorvoerhaven voor West-Europa. Nederland was bovendien een belangrijk producent en exporteur van aardgas en olieproducten voor West-Europa. De Nederlandse gasexport dekte voor 45% het gasverbruik in Duitsland en voor 40% in Frankrijk. Den Uyl maakte duidelijk, dat een noodtoestand in Nederland ook gevolgen zou hebben voor de export van gas en olieproducten naar de buurlanden. De cijfers, van de Industriebond NVV waren minder somber.

DISTRIBUTIE VAN BENZINE

RaffinageEťn van de voorstellen die de oliemaatschappijen aan minister Lubbers deden was een distributie van benzine. De distributie via een bonnensysteem werd geen succes. De oliemaatschappijen, die het advies voor een distributie hadden gegeven, waren zelf de oorzaak van de mislukking. Op 31 december 1973 hadden de oliemaatschappijen en de oliehandel een overgangsperiode van 9 dagen gekregen om de benzinestations nog te bevoorraden zonder het innen van benzinebonnen. Pas daarna ging de maatregel voor de verkoop op bonnen in. Automobilisten haalden al gauw opgelucht adem toen bleek dat ze ook zonder bonnen konden tanken. De kaderleden van de Industriebond NVV berichtten dat er voldoende voorraad aan olieproducten (o.a. benzine) was. De oliemaatschappijen overdreven de te verwachten schaarste sterk. Shell bevestigde het door te publiceren, dat in de periode van 23 november 1973 tot 11 januari 1974 de voorraad olieproducten met 300.000 ton was toegenomen tot 5,8 miljoen ton in totaal. De regering vroeg de oliemaatschappijen om ophelderingen. De oliemaatschappijen schoven de schuld van het mislukken van de distributie naar de benzinepomphouders. Maar voor een groot deel waren die volstrekt afhankelijk van de oliemaatschappijen. Zelfs zelfstandige garagehouders, die over een eigen benzinepomp beschikten, waren contractueel gebonden aan een oliemaatschappij die de greep op de afzetmarkt van benzine stevig in handen hield.

Nu de aanvoer van ruwe olie, ook volgens de oliemaatschappijen, sterk was verbeterd, wilde minister Lubbers weten of distributie van benzine nog nodig was. Op 22 januari 1974 liet minister Lubbers zich adviseren door vertegenwoordigers van de 9 oliemaatschappijen in Nederland. De oliemaatschappijen hielden hun waarschuwing voor een dreigend tekort aan benzine en grondstoffen voor de chemische industrie echter staande. Zij hadden belang bij schaarste en de hogere prijzen die daar het gevolg van was. Ze adviseerden een nieuw pakket van maatregelen, waaronder een snelheidsbeperking en een autoloze dag per week of per twee weken. Zo kwamen de 6 autoloze zondagen begin 1974 tot stand.

De minister, onder de indruk van de gegevens waarover de Industriebond NVV beschikte, wilde van Schravenmade van de Industriebond NVV in Rotterdam weten hoe hij over de schaarste dacht. Nog dezelfde avond hadden Ab Schravemade en ik een gesprek met de directeur-generaal van Economische Zaken, mr. Engels. Volgens de gegevens van de Industriebond NVV waren de voorraadtanks voor benzine bij een weer stijgende olieaanvoer goed gevuld. Dat had Schravemade diezelfde dag al in een uitvoerig interview verteld aan Chiel Brijet, correspondent van het ANP in Rotterdam. De volgende dag citeerden alle landelijke en regionale bladen de uitspraken van Schravemade. Het bondsbestuur was woedend toen bleek dat door de Rotterdamse bestuurders de avond ervoor een gesprek met het Ministerie van Economische Zaken was gevoerd zonder overleg vooraf met het bondsbestuur. Het deed de maat overlopen. Het bondsbestuur gaf Schravemade op 24 januari 1974 een schriftelijke berisping met de waarschuwing dat als het opnieuw zou gebeuren er zeer scherpe maatregelen getroffen zouden worden.

Ja knikkerHet Havenbedrijf van de gemeente Rotterdam was ook niet blij met de cijfers van de Industriebond NVV. Het gemeentebestuur maakte in een perspublicatie op 25 januari 1974 bekend dat ze, 'er waarde aan hechtte om de juiste cijfers over de aan- en afvoer van ruwe olie en aardolieproducten sinds 1 oktober 1973 bekend te maken'. Maar 'hun juiste cijfers' klopten niet. Het Havenbedrijf nam de maand oktober 1973 als uitgangspunt, de maand waarin nog volledig goedkope aardolie kon worden aangevoerd. Volgen het Havenbedrijf was de aanvoer van ruwe aardolie daarna gedaald tot; in november 99,6%, in december 52,3% en in januari 1974 82,6% van die in oktober. Door de topmaand oktober als uitgangspunt voor een normale aanvoermaand te nemen rekende het Havenbedrijf zich arm. In werkelijkheid zaten de opslagtanks in oktober en eind november barstens vol. De vermindering van de door het Havenbedrijf berekende aanvoer had niets met de schaarste te maken maar alles met de prijsverhoging. In de maand januari 1974 lag de aanvoer al weer op ruim 82,6% van de topmaand oktober 1973. "De juiste cijfers" van de gemeente Rotterdam waren "verneukeratief".

De marine beveiligde tijdens de oliecrisis de door de olietankers druk bevaren z.g. Eurogeul naar de Nieuwe Waterweg. Tankers die naar Rotterdam 'oplijnden' waren gevoelig voor 'opzettelijke botsingen'. Het woord 'aanslagen' was nog geen dagelijks gebruik. De Hr. Ms. Amsterdam (D819), die voor beveiliging van de tankers zorgde, kreeg van de Marine Inlichtingendienst (Marid) de mededeling, dat een of andere 'takkeboot' op een Noorse tanker afstevende. Dienstplichtig matroos, R. Rovers, die op de Hr. Mr. Amsterdam in de commandocentrale 'aan de radar zat' vertelde later, dat ze op weg naar Den Helder waren en onmiddellijk terug moesten. Op de radar zag hij dat er duidelijk iets niet in de haak was. Op het moment dat die vreemde boot hen in zicht kreeg Ďstoof die een andere richting uit, weg van de tankerí. De opvarenden kregen op het hart gedrukt thuis niet te vertellen, dat het olietekort grote nonsens was.

In tegenstelling tot Amerika wilde de Nederlandse regering geen militaire steun aan IsraŽl verlenen. Minister-president Den Uyl en minister Van der Stoel van Buitenlandse Zaken voelden niet voor wapenleveranties aan IsraŽl, maar het ministerie van defensie deed dat wel. Minister van defensie, Henk Vredeling, zond in 1973 op eigen houtje legermaterieel naar IsraŽl via Schiphol en de IsraŽlische luchtvaartmaatschappij El Al zonder de andere ministers daarin vooraf te kennen. Later deed hij er niet geheimzinnig over.

Officieel werd de olieboycot op 10 juli 1974 door de Arabische landen beŽindigd. De Nederlandse regering zou zijn pro-IsraŽl houding in het Midden-Oostenconflict hebben laten varen. Veel mensen hadden het gevoel dat de oliewereld de boel had belazerd. In een gesprek met Ab Schravemade gaf minister Lubbers, bij de 'opening van zaken over de werkelijke situatie' aan de Tweede Kamer, blijk van zijn waardering voor de cijfers van de Industriebond NVV.

Piet Scheele.

mailto: pscheele@chello.nl

naarboven

Of ga naar:
Fusie Brand bij Shell Staking bij ICI Staking bij Shell Cyanamid en gezondheid 5-ploegendienst Aardgaswinsten Johan Stekelenburg Link